Onderzoek
De belangrijkste onderzoeksgebieden van het cluster Mededinging en Regulering zijn:
- Consumentenbeleid
- Mededinging (concentraties, marktafbakening, kartels, misbruik economische machtspositie)
- Media
- Netwerksectoren
- Regulering
- Vrije beroepen
- Zelfregulering
Consumentenbeleid
Marktwerking is geen doel op zich, het is een middel om welvaart te verhogen en dan met name de welvaart van consumenten. Om de baten van marktwerking zo groot mogelijk te maken, is het van belang dat de consument zo veel mogelijk te weten kan komen op die markt – en dus dat markten transparant zijn – en dat de overstapkosten zo laag mogelijk zijn. Als de consument de prijs-kwaliteit verhouding goed kan inschatten, worden concurrerende aanbieders geprikkeld om zo scherp mogelijk aan te bieden. Anderzijds is het van belang om consumenten die onvoldoende te weten kunnen komen of die alleen door veel moeite te doen of veel kosten te dragen over kunnen stappen (ze zijn locked-in). Het cluster Mededinging en Regulering doet veel onderzoek op het gebied van kwaliteitstransparantie en de gevolgen van intransparantie, naar de rol van overstapkosten en consumentenbescherming. Zo deden we onderzoek naar de rol van naming and shaming, kwaliteitstransparantie bij ervaringsgoederen en naar overstapkosten (in het kader van het MDW project).
Mededinging
De Nederlandse en Europese mededingingswetgeving verbiedt bepaalde mededingingsbeperkende gedragingen. Het Nederlandse mededingingstoezicht en -beleid wordt steeds economischer van aard. Dit betekent dat bij de beoordeling van mededingingsbeperkingen vaker wordt gelet op de economische effecten en niet louter op de juridische vorm. Binnen het cluster Mededinging en Regulering wordt regelmatig (mee)gewerkt aan mededingingszaken, zowel voor de NMa, voor advocaten als voor individuele bedrijven in het kader van een self assessment. De belangrijkste onderwerpen daarbij zijn:
- De afbakening van de relevante markt. De relevante markt vormt de grond waarop mededingingsrechtelijke vraagstukken worden beoordeeld. Het afbakenen van de relevante markt is een economische aangelegenheid. Daarbij wordt uitgegaan van de relatie tussen de prijsveranderingen, afzet en winsten van bepaalde groepen producten in een bepaald geografisch gebied (volgens de SSNIP-test). Binnen het cluster Mededinging en Regulering zijn enkele (vertrouwelijke) marktafbakeningen verricht (zowel geografische als productmarkten).
- Het beoordelen afspraken tussen bedrijven in het licht van het kartelverbod (artikel 6 Mededingingswet of artikel 81 EG-Verdrag). Het algemene kartelverbod maakt geen onderscheid tussen horizontale overeenkomsten (tussen concurrenten) en verticale (tussen een leverancier en een afnemer van een product), terwijl dat wel een wezenlijk verschil is. Bij horizontale afspraken gaat het om afspraken tussen concurrenten. Verticale afspraken zijn afspraken tussen ‘complementoren’ die samenwerken om hetzelfde product aan de man te brengen. In de groepsvrijstelling verticale overeenkomsten komt dit verschil wel tot uitdrukking (Verordening 2790/1999). Vanaf 1 mei 2004 moeten ondernemingen zelf beoordelen of hun afspraken voldoen aan de eisen (self assessment). Binnen het cluster Mededinging en Regulering is ervaring met het beoordelen van zowel verticale als horizontale afspraken. Tevens zijn wij goed in staat om de schade voor derden als gevolg van kartelafspraken te bepalen. Onze kosten-batenanalystische ervaring, waarderingsstudies en algemene Industrial Organisation-kennis zijn hierbij zeer behulpzaam.
- Het beoordelen van fusies en overnames in het licht van het in de nationale en Europese wetgeving gestelde eisen (artikel 34 Mededingingswet en Europese Concentratiecontrole (Verordening 802/2004)). Door een fusie of overname kan een economische machtspositie worden gecreëerd of versterkt, hetgeen onder bepaalde omstandigheden zou kunnen leiden tot concurrentiebeperkend gedrag van het nieuwe bedrijf. Ook hier geldt dat ondernemingen vanaf 1 mei 2004 zelf moeten beoordelen of hun afspraken voldoen aan de eisen.
- Onderzoek naar de vraag of bepaalde gedragingen wel of niet duiden op misbruik van een economische machtspositie (artikel 24 Mededingingswet of artikel 82 EG-Verdrag). Het gaat hierbij om gedragingen als het excessief laag of hoog prijzen van goederen en het geven van getrouwheidskortingen. Dit onderdeel van de mededingingswetgeving wordt doorgaans nog zeer weinig economisch toegepast, en daar ligt dan ook een grote uitdaging om tot een meer effect-based beoordeling van gedraging te komen.
- Het beoordelen van steun van overheden aan ondernemingen in het licht van artikel 87 en 88 van het EG-Verdrag, die deze steun verbiedt indien daardoor de mededinging kan worden vervalst en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed.
- Onderzoek op het gebied van markt en overheidsproblemen. Hierbij gaat het om mededingingsproblemen die kunnen optreden als overheidsorganisaties actief worden op een markt terwijl zij (financiële of andere) voordelen genieten die particuliere ondernemingen niet hebben, of die ontstaan als private ondernemingen van de overheid een bijzondere positie krijgen ten behoeve van de uitvoering van bepaalde verplichtingen en dat zij de voordelen daarvan eveneens kunnen gebruiken op andere markten. In het cluster is veel ervaring opgedaan met het in kaart brengen van markt en overheidsproblemen.
Media
De economie van de media omvat een breed veld van kranten, boeken, tv, radio tot internet. Binnen het cluster Mededinging en Regulering is een aantal (deels vertrouwelijke) onderzoeken op dit terrein uitgevoerd. Een voorbeeld is het onderzoek naar de werking van de boekenmarkt (schoolboeken en wetenschappelijke boeken) en de rol van verticale en horizontale afspraken op die markt. Op het gebied van het auteursrecht is uitgebreid onderzoek gedaan, zowel als het gaat om het economisch belang van het auteursrecht als om de mogelijke marktverstoringen van het auteursrecht in diverse sectoren (games, muziek etc.). Als het over media gaat, gaat het ook vaak over reclame. Binnen het cluster Mededinging en Regulering is onderzoek gedaan naar het economisch belang van reclame. In het onderzoek ‘cultuur en economie’ is ook uitgebreid aandacht besteed aan het economisch belang van bepaalde media.
Netwerksectoren
Voorbeelden van netwerksectoren zijn: gas, elektriciteit, drinkwater, inzameling en zuivering afvalwater, telefonie, kabel, televisie, radio, post, trein, stad- en streekvervoer, luchthavens en afvalinzameling. Netwerksectoren zijn sectoren waarin aanbieders producten en diensten aanbieden via infrastructuren. De infrastructuur is meestal leidinggebonden (waterleidingen, kabels en rails). De infrastructuur kan echter ook bestaan uit een netwerk van zogenaamde ‘knooppunten’ die zorgen voor start, afronding, conversie of routering van verplaatsingen. Voorbeelden hiervan zijn busstations, drinkwaterzuiveringsinstallaties en postbussen, maar ook antennes die voor verplaatsing via de ether zorgdragen. Netwerksectoren zijn economisch gezien interessant omdat veelal sprake is van marktmacht bij het gebruik van de infrastructuur. Deze marktmacht kan voortvloeien uit de economisch-technologische karakteristieken van de productiestructuur (zijn er schaalvoordelen verbonden aan het netwerk?) of uit bestaande wetgeving. Onderzoek in het cluster Mededinging en Regulering richt zich dan vaak op toegangregulering, tariefregulering van het netwerk of de vraag of het splitsen van het netwerk van de rest van de bedrijfskolom gewenst is.
Regulering
Een ongereguleerde private monopolist kan de prijs van zijn product naar believen vaststellen. Hij zal niet kiezen voor een prijs waarbij de maatschappelijke welvaart maximaal is, maar meer letten op de winst en de waardeontwikkeling van het bedrijf. Dat is hij aan zijn aandeelhouders verplicht. Een mogelijke reactie van een overheid of toezichthouder hierop is rendementsregulering (rate of return regulation). Rendementsregulering verbiedt de monopolist simpelweg om ‘overwinst’ te maken. Bij het beoordelen van optimale regulering wordt ook aandacht besteed aan zaken als de WACC (het gewogen gemiddelde van de vermogenskosten – weighted average costs of capital) en het CAPM (Capital Asset Pricing Model). Een andere mogelijkheid is het invoeren van prijsregulering – bekend onder namen als prijsplafonds, price caps, of cpi–x-regulering. Price cap-regulering in zijn zuivere vorm negeert zaken als de interne kostenstructuur van bedrijven, het geïnvesteerd vermogen en de redelijke vermogenskostenvergoeding volledig, maar stuurt in plaats daarvan op de tarieven. Deze mogen elk jaar gecorrigeerd worden voor de inflatie (cpi), maar moeten in reële termen jaarlijks dalen met een vast percentage x. Wanneer er door toetreding daadwerkelijk een aantal landelijk concurrerende bedrijven zou ontstaan, zou prijsregulering overbodig kunnen worden. Ontstaat er echter een regionaal verdeelde markt, dan is het denkbaar dat ook de concurrentie aan de grenzen onvoldoende is en prijsregulering nodig blijft. In dat geval kan maatstafconcurrentie de natuurlijke opvolger zijn van een prijsplafond. In het cluster is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar optimale regulering in netwerksectoren (gas, elektriciteit en post) en in andere sectoren (markt voor de destructie van kadavers).
Vrije beroepen
Vrije beroepen zijn in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden niet zo vrij, maar zijn ingebed in uitgebreide (zelf)regulering. Wat betekent dat voor de concurrentieverhoudingen op deze markten? Het Cluster Mededinging en Regulering heeft de afgelopen jaren in verschillende onderzoeken gekeken naar het effect van (zelf)regulering op de werking van de markten voor juridische vrije beroepen. Voorbeelden daarvan zijn een economische analyse van het domeinmonopolie van advocaten en notarissen. Voorts onderzoeken we ook de resultaten van meer marktwerking in deze sectoren door het opheffen van wettelijke toetredingsdrempels en het invoeren van meer transparantie (makelaardij, octrooigemachtigden, tolken en vertalers, en notarissen).
Zelfregulering
Bekende zelfreguleringinstrumenten zijn certificaten, convenanten, arbitrage en gedragscodes. Zelfregulering houdt in dat maatschappelijke partijen in bepaalde mate zelf verantwoordelijkheid nemen voor het opstellen en/of uitvoeren en/of handhaven van regels, indien nodig binnen een wettelijk kader. In dat laatste geval is sprake van geconditioneerde zelfregulering. Binnen het cluster Mededinging en Regulering is veel kennis over zelfreguleringsinstrumenten aanwezig. In een aantal onderzoeken is achtereenvolgens een inventarisatie van 22 zelfreguleringsinstrumenten gemaakt, zijn deze instrumenten uitgebreid beschreven, is een kosten-baten-analytisch kader opgezet om te kiezen tussen zelfregulering en wetgeving en is tevens een roadmap gebouwd die de weg wijst naar het bij een bepaald probleem passend zelfreguleringsinstrument (is regulering aan de orde?, is zelfregulering een optie? zo ja, welk zelfreguleringsinstrument is geschikt?).









