pagina

Bridging the Gap: International Database on Employment and Adaptable Labour


Publicatienummer: 2010-01
Auteurs: E. Berkhout, E. van den Berg
Opdrachtgever: Randstad Holding
Uitgever: SEO Economisch Onderzoek
ISBN: 978-90-6733-526-3

De Lissabondoelstellingen zijn niet bereikt. Veel landen waren hard op weg om de werkgelegenheidsdoelstellingen van Lissabon te bereiken, totdat de financiële crisis een spaak in het wiel stak. De werkloosheidsdoelstelling is te ambitieus: geen van de 27 EU-landen zal in 2010 de 4% hebben bereikt. Fluctuaties op de korte termijn vormen echter geen oplossing voor de uitdaging op de lange termijn: een krapte op de arbeidsmarkt als gevolg van de vergrijzing. Er moeten oplossingen worden gevonden voor zowel de kwantitatieve als kwalitatieve discrepanties tussen vraag en aanbod van arbeid. 

In 2050 zal er een ‘potentiële werkgelegenheidskloof’ zijn van ongeveer 15% van de totale vraag naar arbeid (35 miljoen mensen) onder gelijkblijvende omstandigheden (een ceteris paribus basisscenario). Het belang van arbeidsmigratie bij het overbruggen van deze kloof wordt onderstreept door het hypothetische scenario van geen migratie. 

Het verhogen van de arbeidsparticipatie is een noodzakelijke, maar waarschijnlijk ontoereikende oplossing, met name in landen waar reeds een bovengemiddelde arbeidsparticipatie is. Daarnaast zal het verhogen van de (reële) productiviteit onvermijdelijk zijn om de arbeidsvraag terug te dringen. 

Wanneer de kwantitatieve kloven zijn overbrugd, kan ook nog het kwalitatieve gebrek aan kwalificaties tot frictie leiden. Als laagopgeleide werknemers hun inzetbaarheid niet vergroten, zullen ze in de toekomst mogelijk niet meer aan de vaardigheidseisen voldoen, aangezien er steeds meer vraag naar hooggekwalificeerde arbeid zal komen.

Veel internationale organisaties ondersteunen al een participatiebeleid op de lange termijn dat niet alleen gericht is op ‘meer werk’, maar ook op ‘beter werk’. De veranderende sectorale structuur van westerse economieën vraagt om welzijnssystemen die op inkomenszekerheid in plaats van op baanzekerheid gericht zijn. Voor een grotere participatie is het van cruciaal belang de juiste balans te vinden tussen arbeidsflexibiliteit en inkomenszekerheid (het concept ‘flexizekerheid’). Andere belangrijke beleidselementen zijn het stimuleren van ‘fatsoenlijk werk’, specifieke scholingsprogramma’s en het bestrijden van illegale arbeid.

Actief arbeidsmarktbeleid kan de participatie vergroten, maar de effectiviteit en doelmatigheid ervan dienen vaker te worden geëvalueerd. De evaluaties van actief arbeidsmarktbeleid dat gericht is op het verhogen van deelname van vrouwen en ouderen zijn doorgaans overtuigender dan de evaluaties van beleid dat gericht is op het verhogen van de arbeidsparticipatie van werklozen. Voor werklozen is maatwerk doorgaans effectiever dan algemene opleidingsprogramma’s of loonsubsidies, vanwege de heterogeniteit van deze groep. Het nut van beleidsprogramma’s is gebaat bij regelmatige evaluaties van de effectiviteit en doelmatigheid ervan.

Moderne arbeidsmarkten hanteren een levenscyclusbenadering en voldoen aan de vraag naar verschillende combinaties van gezin, privé en werk. In de empirische literatuur wordt het belang onderstreept van de beschikbaarheid van kinderopvang en van instellingen die ‘participatie lonend maken’.

Moderne arbeidsrelaties, zoals deeltijdwerk, tijdelijke contracten, uitzendwerk en zelfstandig ondernemerschap zijn in opkomst. Ze zijn onmisbaar voor een hoge arbeidsparticipatie in een moderne economie, waarin zowel mannen als vrouwen werk en gezin willen combineren. In de Scandinavische en Angelsaksische landen zijn er veel vrijwillige tijdelijke werknemers. De hoge participatiegraad van deze landen heeft deels te maken met het feit dat hun arbeidsmarkten ‘hoogwaardig’ tijdelijk werk bieden.

De afgelopen tien jaar is deeltijdwerk, met name voor vrouwen, de belangrijkste motor achter participatie geweest. Uitzendwerk kan een steeds grotere rol gaan spelen als intermediaire arbeidsvorm. Het kan de arbeidsparticipatie stimuleren door het mobiliseren van langdurig werklozen en inactieve arbeidskrachten (de ‘springplankfunctie’). 

Een belangrijke, maar in veel landen onbenutte, mogelijke motor achter participatie is ‘flexibilisering’ van de standaard arbeidsrelatie. Het inbrengen van flexibele elementen in het voltijds contract voor onbepaalde tijd zou een nieuw element kunnen zijn van wat bekendstaat als ‘flexizekerheid’.


Categorie: 2010, Emina van den Berg, Arbeid & Onderwijs