pagina

Maatschappelijke kosten-batenanalyse brandveiligheid in woningen


Publicatienummer: 2014-16
Auteurs: B. Hof, W. Rougoor, B. Tieben
Opdrachtgever: WODC, afdeling EWB
Uitgever: SEO Economisch Onderzoek
ISBN: 978-90-6733-738-0

Dit rapport onderzoekt in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie beleidsmaatregelen die de brandveiligheid in woningen kunnen verbeteren. In een eerste stap is een inventarisatie gemaakt van mogelijke beleidsmaatregelen: een ‘long list’. Uit deze lijst van mogelijke beleidsmaatregelen is een selectie gemaakt van een viertal maatregelen. Deze zijn nader uitgewerkt en er is ingeschat welke maatschappelijke baten en kosten optreden bij invoering van de geselecteerde beleidsmaatregelen.

Het viertal beleidsmaatregelen betreft twee typen met elk twee varianten. Het eerste type is verplichte woningsprinklers, het tweede type brandveiligheidseisen aan gestoffeerd meubilair zoals banken. Bij de verplichte woningsprinklers is het onderscheid tussen de varianten een verplichting bij nieuwbouw versus een verplichting bij bestaande bouw. De vaste kosten van een sprinklersysteem kunnen hierbij over meerdere appartementen worden verdeeld. Bij de brandveiligheidseisen aan gestoffeerd meubilair zijn eveneens twee varianten gehanteerd: toepassing van brandveiligheidseisen zoals die op het moment van schrijven in het Verenigd Koninkrijk gelden en dezelfde eisen, maar dan met een verbod op zogenaamde chemische vlamvertragers en zonder brandveiligheidseisen voor matrassen en bedden.

Beide varianten van de beleidsmaatregel “verplichte woningsprinklers” kennen maatschappelijke baten in termen van vermeden schade, vermeden dodelijke slachtoffers, vermeden gewonden en vermeden inzet van de brandweer, maar deze blijken niet hoog genoeg om de investeringskosten van de woningsprinklers goed te maken. Maatschappelijke baten van woningsprinklers zouden hoger kunnen zijn dan maatschappelijke kosten indien de investeringskosten van woningsprinklers substantieel lager zijn zonder dat dit ten koste gaat van de effectiviteit.

Bij de beleidsmaatregel “brandveiligheidseisen aan gestoffeerd meubilair” leiden de analyses niet tot een eenduidig positieve of negatieve uitkomst. Of het saldo van maatschappelijke baten minus kosten positief of negatief is, blijkt namelijk af te hangen van specifieke veronderstellingen in de berekeningen. Een beperking bij de variant zonder verbod op chemische vlamvertragers is dat het in de huidige analyses niet mogelijk is gebleken om een waarde toe te kennen aan mogelijke risico’s van het gebruik van chemische vlamvertragers om aan brandveiligheidseisen te voldoen. In dit onderzoek kon niet worden vastgesteld in welke mate producenten van meubilair van chemische vlamvertragers gebruik zouden maken om aan brandveiligheidseisen te voldoen en of en in welke mate de toegepaste chemische vlamvertragers tot verhoogde risico’s voor mens of milieu zouden leiden.

Vervolgonderzoek met betrekking tot woningsprinklers zou zich kunnen richten op specifieke situaties waarin de maatschappelijke baten de maatschappelijke kosten wél overtreffen. In dit verband zou bijvoorbeeld meer onderzoek kunnen worden gedaan naar de zogenoemde waterleidingsprinkler, een type woningsprinkler dat gevoed wordt door de waterleiding en geen separate pomp kent. Wat brandveiligheidseisen aan gestoffeerd meubilair betreft is de kernvraag of er een vormgeving is waarbij de baten de kosten op robuuste wijze overtreffen. Nader onderzoek naar de toepassing van chemische vlamvertragers in de praktijk en de risico’s daarbij zou daarin behulpzaam zijn, evenals nader onderzoek naar de omstandigheden waaronder alternatieve technieken voor chemische vlamvertragers rijp zijn voor grootschalige toepassingen.

Het rapport is door de Minister van Veiligheid en Justitie op vrijdag 13 juni 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer, vergezeld van een aanbiedingsbrief. Het is eveneens te vinden op de website van het WODC


Categorie: 2014, Bert Tieben, Bert Hof, Ward Rougoor