pagina

Participatie-effect kinderopvangtoeslag


Publicatienummer: 2009-73
Auteurs: C. Berden, L.M. Kok
Opdrachtgever: ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Uitgever: SEO Economisch Onderzoek
ISBN: 978-90-6733-527-0

De halvering van de ouderbijdrage in de periode 2004-2008 heeft geleid tot een stijging van het gebruik van formele opvang met circa 10% en een stijging van het arbeidsaanbod van moeders in uren met 5%.

Voor moeders van wie het oudste kind 4 jaar of ouder is, is de uitbreiding van het aantal kindplaatsen belangrijker geweest voor de groei van de arbeidsparticipatie. De open einde financiering die werd ingevoerd met ingang van de Wet kinderopvang en het uitvoeren van de motie Van Aartsen-Bos hebben voor deze groep moeders gezorgd voor een toename van de arbeidsparticipatie in uren van naar schatting 9%.

De halvering van de ouderbijdrage en de uitbreiding van de capaciteit van kinderopvang heeft ook geleid tot sterke substitutie van informele voor formele opvang. Veel moeders werkten al en hebben hun informele opvang vervangen door formele opvang. Bovendien konden ouders die gebruikmaakten van gastouderopvang vanaf 2005 een vergoeding krijgen wanneer de gastouder was geregistreerd bij een door de gemeente goedgekeurd gastouderbureau, wat ook heeft geleid tot een sterke substitutie van informele voor formele opvang. Hierdoor is de stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen niet in verhouding tot de stijging van het gebruik van formele opvang.

De forse toename van het gebruik van formele kinderopvang doet een groot beroep op de schatkist. De uitgaven van de overheid aan kinderopvang zijn toegenomen van naar schatting € 632 miljoen in 2005 tot € 2,1 miljard in 2008. Deze uitgaven verdringen andere uitgaven of leiden tot hogere belastingtarieven.

Achtergrond

Per 1 januari 2005 is de Wet Kinderopvang ingevoerd. Doel van de wet was de combinatie van zorg en arbeid te vergemakkelijken en zodoende de arbeidsparticipatie van vrouwen met kinderen te verhogen. Om dit doel te bereiken introduceerde de overheid vraagsturing op de markt voor kinderopvang om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Vanaf 2005 worden dan ook ouders gesubsidieerd en niet meer het aanbod, zoals voorheen het geval was. Ouders krijgen een kinderopvangtoeslag die onder andere afhankelijk is van het aantal uren dat ze gebruikmaken van kinderopvang, de prijs van kinderopvang en het huishoudinkomen van de ouders.

Sinds 2005 is het gebruik van kinderopvang sterk gestegen en daarmee ook de collectieve uitgaven voor kinderopvang. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft SEO Economisch Onderzoek onderzocht wat de oorzaken zijn van de stijging van het gebruik van kinderopvang en wat de consequenties hiervan zijn geweest voor de arbeidsparticipatie van vrouwen met kinderen.


Categorie: 2009, Lucy Kok, Zorg & Sociale Zekerheid