pagina

Kosten en baten van aliasgebruik in het betalingsverkeer


Publicatienummer: 2020-02
Auteurs: Johannes Hers, Ward Rougoor & Marilou Vlaanderen
In opdracht van: DNB
Uitgever: SEO Economisch Onderzoek
ISBN:
978-90-5220-048-4

Het onderzoek
Eén van de maatregelen die kan bijdragen aan het verlagen van overstapkosten in het betalingsverkeer waarover al lange tijd discussie bestaat, is betaalrekeningnummerportabiliteit (het kunnen meenemen van het betaalrekeningnummer naar de nieuwe aanbieder). Aliasgebruik is een alternatief voor nummerportabiliteit dat het overstappen van betaalrekeningaanbieder gemakkelijker kan maken en daarmee mogelijk de overstapdreiging kan vergroten. Bij aliasgebruik wordt een alias (bijvoorbeeld een telefoonnummer of e-mailadres) gekoppeld aan het IBAN. Overstappen van betaalrekeningaanbieder wordt eenvoudiger omdat rekeninghouders hun contacten niet hoeven te informeren over hun nieuwe IBAN, althans voor zover deze contacten reeds beschikken over de alias. De alias blijft ongewijzigd en deze wordt gebruikt bij betaaltransacties. Omdat de kosten van invoering mogelijk lager zijn, zou de kosten-batenanalyse voor aliasgebruik gunstiger kunnen uitvallen dan voor nummerportabiliteit. Als onderdeel van een breder onderzoek door DNB naar verschillende vormen van aliasgebruik geeft deze rapportage inzicht in de kosten en baten van aliasgebruik.

Gebruikte methodes
We starten met het centrale projectalternatief van een nieuwe, verplicht te gebruiken, robuuste alias. Van deze verplichte, robuuste alias berekenen we de kosten en baten. Vervolgens scoren we ten opzichte van dit centrale projectalternatief ook de overige bestaande aliassen: telefoonnummer, e-mailadres, Burgerservicenummer (BSN), KvK-nummer, KvK-vestigingsnummer, btw-id en Legal Entity Identifier (LEI). In alle gevallen geldt dat we als nul-alternatief de huidige situatie hanteren, dat wil zeggen inclusief het bestaan van de Overstapservice in de huidige vorm.

Bij het in kaart brengen van kosten en baten is gebruikgemaakt van bestaande literatuur en documentatie. De berekeningen zijn gevalideerd met opgaven van de kosten van verschillende banken en andere spelers op de markt voor betaaldienstverlening, een aantal groot-incassanten, en Betaalvereniging Nederland (beheerder van de Overstapservice). Deze opgaven zijn besproken in interviews en verwerkt in een kostenmodel dat ontworpen is in overleg met DNB en Betaalvereniging Nederland.

Resultaten
De directe baten zijn baten door lagere overstapkosten (administratieve handelingen) van betaalrekeninghouders (particulieren en mkb) en incassanten nadat de alias is ingevoerd. Daarnaast ontstaan indirecte baten doordat lagere overstapkosten leiden tot meer concurrentie op de markt voor betaalrekeningen, met een neerwaartse druk op de marktprijzen en winstmarges. Een lagere marktprijs verlaagt het producentensurplus ten gunste van het consumentensurplus. Deze verschuiving heeft geen gevolg voor de totale maatschappelijke baten en is dus niet meegenomen de totale baten. De totale baten nemen wel toe als de toegenomen concurrentie leidt tot een vermindering van de inefficiëntie.

De overheid en DNB maken incidentele kosten voor de introductie van de alias. Voor betaalrekeningaanbieders, incassanten en partijen die bulk SCT-bestanden aanleveren zijn er hoge incidentele (systeem-)kosten van de overgang op een robuust alias, omdat alle partijen aanpassingen moeten doorvoeren in hun administraties en systemen om de robuuste alias in te voeren: systeemaanpassingen, opzoekkosten en conversiekosten. Daar komen eenmalig de opzoekkosten van alle particulieren en mkb’s bij. Daarnaast zijn er structurele kosten voor de overheid en voor betaalrekeningaanbieders en anderen, doordat systemen complexer worden, bijvoorbeeld omdat er structureel twee betaalgegevensvelden (IBAN en Alias) moeten worden bijgehouden. Ook is er structureel een extra controle nodig met het aliasregister om vast te stellen aan welke betaalrekeningaanbieder de alias op dat moment gekoppeld is. Per saldo resulteert over een periode van 10 jaar een negatief saldo van bijna € 600 miljoen. Dat saldo wordt gunstiger naarmate over een langere periode gerekend wordt omdat de structurele baten hoger zijn dan de structurele kosten.

In een tweede stap hebben we de (bestaande) aliassen: telefoonnummer, e-mailadres, Burgerservicenummer (BSN), KvK-nummer, KvK-vestigingsnummer, btw-id en Legal Entity Identifier (LEI) gescoord ten opzichte van het centrale projectalternatief. Uit die vergelijking blijkt dat de bestaande aliassen naar verwachting een ongunstiger kosten-batensaldo hebben dan de robuuste alias.


Bestanden:
2020-02_Kosten_en_baten_van_aliasgebruik_in_het_betalingsverkeer_01.pdf1.1 M
Categorie: 2020, Johannes Hers, Ward Rougoor, Financiële Markten & Finance, in the spotlight