pagina

Langetermijneffecten re-integratie


Publicatienummer:  2019-93
Auteurs: Lennart Kroon, Marloes Lammers & William Luiten
In opdracht van: het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Uitgever:
SEO Economisch Onderzoek

Het onderzoek
Het ministerie van SZW is geïnteresseerd in de effectiviteit van re-integratiemiddelen voor bijstandsgerechtigden en WW-gerechtigden met verschillende migratieachtergronden. Dit onderzoek gaat in op deze verschillen naar migratieachtergrond. Hiervoor zijn drie groepen geselecteerd: personen die in 2003 zijn ingestroomd in de bijstand of de WW, en personen die in 2006 zijn ingestroomd in de WW. Deze personen worden vervolgens vijf jaar (instroom in 2006) tot acht jaar (instroom in 2003) gevolgd. De effectiviteit van de volgende re-integratietrajecten is onderzocht. Voor bijstandsgerechtigden: (1) arbeidsbemiddeling (2) beroepskeuzeadvies (3) scholing. Voor WW-gerechtigden: (1) reguliere trajecten waarbij WW-gerechtigden een gestandaardiseerd traject volgen dat door UWV is ingekocht bij re-integratiebedrijven (2) Individuele Re-integratieovereenkomsten (IROs) waarbij WW-gerechtigden een budget krijgen van UWV en daarmee zelf een op maat gemaakt re-integratietraject inkopen (3) scholing.

Resultaten
Voor zowel WW-gerechtigden als bijstandsgerechtigden zijn er tussen groepen met verscheidene migratieachtergronden weinig verschillen in het effect van re-integratie op de kans op werk. Uitzonderingen zijn: (1) arbeidsbemiddeling voor bijstandsgerechtigden, dit is extra effectief voor personen met een Marokkaanse migratieachtergrond; (2) IROs voor WW-gerechtigden: ook deze trajecten lijken extra effectief voor personen met een Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond. (3) voor WW-gerechtigden is het lock-in effect (de afname van de baankans tijdens het deelnemen aan een traject) voor personen met een niet-westerse migratieachtergrond kleiner dan voor autochtonen. Ook dit geldt met name voor personen met een Turkse en Marokkaanse migratieachtergrond, maar niet voor personen met een Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond.

Dit strookt met de conclusies uit het voorgaand onderzoek (Lammers e.a., 2013): groepen met relatief minder gunstige arbeidsmarktkenmerken (zoals een niet-westerse migratieachtergrond) komen minder snel na instroom in de WW weer aan het werk. Het volgen van een traject zorgt daarom voor hen voor een minder sterk lock-in effect in vergelijking tot degenen die makkelijker (ook zonder traject) weer aan het werk komen.

Let wel: het feit dat slechts een klein groepje WW-gerechtigden met een niet-westerse migratieachtergrond wél een IRO kregen, geeft aan dat dit groepje mogelijk extra gemotiveerd was om een baan te vinden. Voor een verschil in ‘zachte’ kenmerken (zoals motivatie) is niet gecorrigeerd. De hoge effectiviteit van IROs voor personen met een migratieachtergrond kan dus ook een weerspiegeling zijn van de extra motivatie (of andere positieve ‘zachte’ kenmerken) om een baan te vinden.

Gebruikte methode
De effectiviteit is berekend door uitkomsten voor deelnemers aan trajecten te vergelijken met de  uitkomsten voor niet-deelnemers. De resultaten zijn gecorrigeerd voor een verschil in ‘harde’ kenmerken tussen deelnemers en niet-deelnemers, zoals hun opleidingsniveau, arbeidsverleden en maximaal WW-recht. Voor een eventueel verschil in ‘zachte’ kenmerken die niet zijn waargenomen in de dataset is niet gecorrigeerd. Net als in voorgaande studies zijn de effecten berekend voor de deelnemers aan de re-integratietrajecten. Deze effecten zijn dus niet zonder meer te extrapoleren naar niet-deelnemers.


Categorie: 2019, Lennart Kroon, Marloes Lammers, William Luiten, Zorg & Sociale Zekerheid