pagina

Effecten van zes EU-handelsakkoorden op de Nederlandse economie


Publicatienummer: 2016-96
Auteur: N. Oomes, R. Appelman, W. Rougoor, T. Smits & J. Witteman
Opdrachtgever: Ministerie van Buitenlandse Zaken
Uitgever: SEO Economisch Onderzoek

De geschatte effecten van zes voorgestelde bilaterale EU-handelsakkoorden op de Nederlandse economie zijn klein maar over het algemeen positief. Vijf van de zes handelsakkoorden zouden in Nederland leiden tot een hoger reëel BBP, lagere prijzen en meer werkgelegenheid. Als alle handelsakkoorden tegelijk in zouden gaan, zou het Nederlands BBP stijgen met een halve procent (€3,3 miljard). De impact op derde landen is gemiddeld licht negatief, positief in sommige gevallen, maar over het algemeen klein.

De Europese Commissie onderhandelt momenteel – of is voornemens onderhandelingen op te starten – over bilaterale handelsakkoorden met een zestal handelspartners: Australië, Chili, Indonesië, Mexico, Nieuw-Zeeland en de Filipijnen. Dit betreft deels geheel nieuwe handelsakkoorden en deels een verdieping en verbreding van bestaande handelsakkoorden. In opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoekt  SEO in dit rapport de economische effecten van deze akkoorden op handel, BBP en werkgelegenheid in Nederland. Tevens wordt een inschatting gemaakt van de effecten op handel en BBP in lage- en middeninkomenslanden.

We berekenen de economische effecten in twee stappen. Als eerste stap schatten wij een internationaal ‘zwaartekrachtmodel’ (gravity model) om de effecten op bilaterale handel, handel tussen derde landen en reëel BBP te voorspellen. Dit model houdt rekening met zowel de direct effecten als de indirecte effecten op handelsstromen die zullen optreden ten gevolge van veranderingen in relatieve prijzen en inkomens. Als tweede stap gebruiken we een ‘input-output’-arbeidsmarktmodel voor Nederland om de effecten op productie, toegevoegde waarde en werkgelegenheid per sector in Nederland te schatten. Hierbij wordt rekening gehouden met de input-outputverbindingen tussen sectoren.

De belangrijkste bevindingen zijn als volgt:

  1. Alle voorgenomen handelsakkoorden leiden tot een substantiële stijging van Nederlandse export naar deze landen. De handelsakkoorden met Australië en Indonesië zouden daarbij leiden tot de grootste exportstijging. De Nederlandse export naar deze landen zou stijgen met ongeveer 175%, ofwel met respectievelijk €4 miljard en €1,3 miljard.

  2. Het algehele effect op de economische groei in Nederland is positief in vijf van de zes gevallen. De grootste stijging in het Nederlands reëel BBP zou zich wederom voordoen voor de voorgenomen handelsakkoorden met Australië en Indonesië en zou respectievelijk 0,16% van het BBP (ongeveer €1 miljard) en 0,21% van het BBP (ongeveer €1,3 miljard) beslaan. Dit is kleiner dan het export-effect omdat Nederland ook meer gaat importeren en omdat de mondiale handelsstromen zich aanpassen ten gevolge van wijzigingen in relatieve handelskosten en prijzen. De geschatte impact op het Nederlands reële BBP is kleiner voor de andere vier beoogde handelsakkoorden. Voor het akkoord met de Filippijnen is het BBP-effect licht negatief, maar verwaarloosbaar klein (?0.004%). Als alle zes handelsakkoorden tegelijk in werking zouden treden, zou het Nederlands reëel BBP stijgen met een halve procent, ofwel met €3,3 miljard.

  3. De effecten op lage- en middeninkomenslanden zijn beperkt. De armste landen zien gemiddeld een lichte daling van hun economische groei na vijf van de zes voorgenomen akkoorden. Deze effecten zijn echter relatief klein, variërend van een gemiddelde daling van 0,01% voor het akkoord met Chili tot een gemiddelde daling van 0,20% voor het akkoord met Australië. Een klein aantal landen met een laag inkomen zal een stijging in hun BBP zien. Het akkoord met de Filipijnen leidt gemiddeld genomen tot positieve economische groei in lage-inkomenslanden, maar ook dit effect is zeer klein (0,01%).

  4. De handelsakkoorden die een positief effect op de economische groei in Nederland hebben, hebben ook een positief effect op werkgelegenheid en lonen. Dit omdat de stijging van het reële inkomen tot een hogere binnenlandse vraag leidt, en dus tot hogere productie, wat een hogere vraag naar arbeid en daarmee een stijging van lonen impliceert. Het totale netto effect op werkgelegenheid in Nederland is opnieuw het grootst voor de beoogde akkoorden met Australië en Indonesië. Dit effect is nog iets groter wanneer men rekening houdt met de comparatieve voordelen van Nederland ten opzichte van andere EU-landen. Hoewel de toename in werkgelegenheid tijdelijk is, zijn de stijging van lonen en de daling van prijzen blijvende effecten.

Categorie: 2017, Nienke Oomes, Ward Rougoor, Tom Smits, Joost Witteman, Internationale Economie, Financiële Markten & Finance, Mededinging & Marktwerking