Het onderzoek
De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) is een van de belangrijkste fiscale instrumenten waarmee het ministerie van Economische Zaken onderzoek en ontwikkeling (R&D) door bedrijven stimuleert. Via de WBSO krijgen bedrijven een tegemoetkoming in de kosten van speur- en ontwikkelingswerk (S&O). Niet alle R&D komt hiervoor in aanmerking. Daardoor bestaat er een verschil tussen de totale R&D-uitgaven van bedrijven en de S&O-uitgaven onder de WBSO. 

Uit de meest recente evaluatie van de WBSO blijkt dat dit verschil in de loop van de tijd groter wordt. De fiscale stimulans heeft daarmee betrekking op een relatief steeds kleiner deel van de totale R&D-uitgaven van bedrijven. Dit kan gevolgen hebben voor het bereik en de werking van de WBSO. In de kabinetsreactie op de evaluatie is daarom nader onderzoek naar deze ontwikkeling aangekondigd. 

In dit onderzoek brengen we op basis van microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in kaart hoe groot het verschil tussen R&D en S&O is, hoe dit zich in de tijd heeft ontwikkeld en bij welk type bedrijven dit verschil met name optreedt. Daarbij onderzoeken we in hoeverre economische ontwikkelingen deze groei kunnen verklaren, of dat veranderingen in beleid en/of meetmethoden een rol spelen.  

Dit rapport is tot stand gekomen in het kader van het BAT-lab, het beleidsanalyselaboratorium van het Directoraat-Generaal voor Bedrijfsleven en Innovatie (DG B&I) van het ministerie van Economische Zaken (EZ). Gerben de Jong is gedetacheerd in dit team en medeauteur van dit rapport.  

Belangrijkste bevindingen 

  • Het verschil tussen R&D en S&O neemt sinds 2017 gestaag toe. In 2013 waren de totale R&D-uitgaven van bedrijven een factor 1,7 groter dan de S&O-uitgaven. In 2023 is deze verhouding opgelopen tot 2,3. 
  • De gestage toename lijkt vooral een economische oorzaak te hebben. Ook in jaren zonder beleidsmatige en/of methodologische veranderingen lopen R&D en S&O verder uiteen.  
  • De toename in het verschil zien we ook bij bedrijven die ieder jaar deelnemen aan de R&D-enquête, waardoor veranderingen in steekproef of respons de ontwikkeling tevens niet (volledig) kunnen verklaren. 
  • In de meest recente jaren neemt het verschil sneller toe. Deze versnelling hangt vermoedelijk wel deels samen met methodologische factoren: een nieuw steekproefontwerp van de R&D-enquête en de combinatie van sterke loongroei met het gebruik van S&O-arbeidslonen van twee jaar eerder bij WBSO-vaststellingen. 
  • De omvang en groei van het verschil zijn verreweg het grootst bij het grootbedrijf. Bij kleinere bedrijven is het verschil kleiner en neemt deze ook minder sterk toe. 
  • Het verschil groeit in vrijwel alle bedrijfstakken. Meer dan de helft van de absolute groei vindt plaats in de industrie, waar ook de meeste R&D- en S&O-uitgaven plaatsvinden. Relatief is de groei het sterkst in de financiële dienstverlening en zorg. 
  • Het verschil groeit zowel bij de loonkosten – vooral door een uiteenlopende ontwikkeling van het aantal ingezette arbeidsjaren – als bij de overige (niet-loonkosten) R&D- en S&O-uitgaven. 

Het onderzoek is onderdeel van het de Prinsjesdagbrief over (door)ontwikkeling van de WBSO.