Het Programma Onderwijshuisvesting (POHV) heeft als doel om in 2050 te beschikken over toekomstbestendige schoolgebouwen in het funderend onderwijs. Deze gebouwen moeten beschikken over een gezond binnenmilieu en duurzaam, inclusief en adaptief zijn. Om te kunnen sturen op deze ambitie is structurele monitoring nodig, met een nulmeting als uitgangspunt. Dit rapport beschrijft een systematiek om de voortgang van het POHV te monitoren en voert een nulmeting uit op basis van bestaande onderzoeken. De monitor sluit aan bij de doelstellingen van het programma en het bredere beleidsdoel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 

De monitor is modulair opgebouwd en kan, afhankelijk van de informatiebehoefte en beschikbare middelen, op verschillende manieren worden ingevuld. Op basis van de beleidstheorie is een monitoringsraamwerk uitgewerkt met KPI’s en indicatoren, dat op verschillende manieren kan worden ingevuld, afhankelijk van de beschikbare middelen. Daarbij kan worden gevarieerd in de omvang van de steekproef en in de diepgang van de dataverzameling. Een grotere steekproef of meer intensieve meetmethoden vergroten de betrouwbaarheid en verklarende kracht van de uitkomsten, maar brengen ook hogere uitvoeringslasten met zich mee. De nadruk ligt op een praktische en uitvoerbare opzet, met gebruik van bestaande databronnen waar mogelijk en met minimale administratieve lasten voor schoolbesturen en gemeenten. De monitor combineert kwantitatieve indicatoren, zoals vervangingssnelheid en energieverbruik, met kwalitatieve informatie over ervaren professionalisering, samenwerking en besluitvorming.

De nulmeting laat zien dat voor veel indicatoren uit de monitor al informatie beschikbaar is, maar dat deze gegevens sterk verschillen in kwaliteit, dekking en vergelijkbaarheid. Veel cijfers zijn gebaseerd op enquêtes met beperkte respons of op vrijwillige en niet-uniforme aanlevering. Hierdoor geven de huidige waarden vooral een indicatief beeld van de stand van zaken. Zij zijn beperkt geschikt als nulwaarden voor latere vergelijking. Dit geldt met name voor indicatoren rond binnenmilieu, verduurzaming, inclusiviteit en adaptiviteit, waarvoor centrale registraties ontbreken of definities uiteenlopen. Voor andere doelstellingen, zoals kostenefficiënter bouwen en betaalbaarheid in de exploitatiefase, ontbreken op dit moment nog vrijwel volledig referentiewaarden. De geringe informatie voor de nulmeting onderstreept het belang van verdere instrumentontwikkeling en standaardisering. De nulmeting fungeert daarmee vooral als context en vertrekpunt, niet als eindpunt.

Het rapport stelt dat de beleidswaarde van de monitoring ontstaat door consistentie en herhaling in de tijd. Een eenduidig Programma van Eisen vormt daarbij een cruciale basis voor het vaststellen van indicatoren en streefwaarden. Door de monitoring zoveel mogelijk te koppelen aan bestaande processen, zoals de cyclus van Integrale Huisvestingsplannen, kan de uitvoerbaarheid worden vergroot en de administratieve last worden beperkt. Op deze manier kan de monitoring uitgroeien tot een robuust instrument om de voortgang van het Programma Onderwijshuisvesting inzichtelijk te maken.