Onderzoek
Door de vergrijzing nemen de uitgaven aan de AOW de komende jaren sterk toe. Om de AOW betaalbaar te houden, is de AOW-leeftijd sinds 2013 stapsgewijs verhoogd van 65 jaar naar 66 jaar en 7 maanden in 2022. Met deze verhoging beoogt de overheid enerzijds de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten en anderzijds de uitkeringslasten te beperken.

De centrale vraag is in hoeverre deze doelstellingen zijn gerealiseerd en welke andere, gewenste of ongewenste, effecten de verhoging van de AOW-leeftijd heeft gehad. In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid brengt SEO Economisch Onderzoek de belangrijkste feiten en trends in kaart die samenhangen met de verhoging van de AOW-leeftijd.

Resultaten
Uit de analyses blijkt dat de verhoging van de AOW-leeftijd ertoe heeft geleid dat werknemers langer actief blijven op de arbeidsmarkt en later met pensioen gaan. Dit blijkt onder meer uit de stijging van de gemiddelde pensioenleeftijd en het toegenomen aandeel ouderen dat na hun 65ste nog werkt. De toename in gemiddelde pensioenleeftijd is sinds 2019 wel afgevlakt, vermoedelijk door het minder snel oplopen van de AOW-leeftijd sinds het Pensioenakkoord en mogelijk door effecten van corona

Naar aanleiding van de hogere AOW-leeftijd is er geen actief substitutie-effect richting de sociale zekerheid, maar het socialezekerheidsgebruik stijgt per saldo wel om twee redenen. Ten eerste leidt de verhoging van de AOW-leeftijd ertoe dat langer een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- of bijstandsuitkering wordt ontvangen. Wie al vóór de AOW-leeftijd een uitkering had, blijft die doorgaans gebruiken tot de nieuwe AOW-leeftijd in plaats van met pensioen te gaan. Dit wijst op passieve substitutie rond de verhoging van de AOW-leeftijd. Ten tweede stijgt het risico op instroom met leeftijd. Er zijn echter geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Actieve substitutie, waarbij ouderen eerder stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, komt dus nauwelijks voor.

De Regeling Vervroegd Uittreden (RVU) biedt ouderen de mogelijkheid om eerder te stoppen met werken. Het is nog te vroeg om uitspraken over te doen over het gebruik, omdat de regeling nog slechts twee jaar is gemonitord. De eerste cijfers laten zien dat vooral laag- en middelbaaropgeleiden gebruikmaken van de regeling. De instroom vindt meestal plaats tussen 64 en 66 jaar, wat later is dan bij de vroegere VUT- en prepensioenregelingen.

Gebruikte methode
Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van CBS-microdata, waarmee alle personen van 55 tot 75 jaar zijn gevolgd over de periode 2007 tot en met 2022. Deze gegevens maken het mogelijk om veranderingen in arbeidsdeelname, pensioenleeftijd, socialezekerheidsgebruik en inkomen nauwkeurig in kaart te brengen en de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd over de tijd te analyseren.