Dit onderzoek evalueert de doeltreffendheid en effecten van de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) in opdracht van het ministerie van Financiën  

Het onderzoek concludeert dat de Wtt 2018 doeltreffend is geweest in het versterken van de integriteit van vergunninghoudende trustkantoren en het verminderen van risico’s op onwenselijk gedrag binnen dit deel van de sector. Het toezicht en de handhaving zijn effectiever geworden en de samenwerking binnen de toezicht- en handhavingsketen is verbeterd. 

Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen wat het effect van de Wtt 2018 is op de integriteit van het Nederlandse financiële stelsel als geheel. Er zijn aanwijzingen voor waterbedeffecten, waarbij dienstverlening verschuift naar illegale trustkantoren, andere dienstverleners, activiteiten buiten de reikwijdte van de wet of naar het buitenland. De omvang en gevolgen van deze verschuivingen zijn echter lastig vast te stellen. 

De uitvoeringskosten en administratieve lasten voor vergunninghoudende trustkantoren zijn relatief hoog. Dit hangt samen met de hogere risico’s die trustdienstverlening met zich meebrengt en met de strengere eisen die de Wtt 2018 stelt. Deze lasten worden daarom niet als ondoelmatig beoordeeld. Wel hebben neveneffecten, zoals verplaatsing naar illegale trustdienstverlening en de complexiteit van opsporing en handhaving, een negatieve invloed op de doelmatigheid van de wet. 

Het rapport beveelt aan om de aanpak van illegale trustdienstverlening vooral te versterken via betere detectie, kansrijkere vervolging en effectieve handhaving. Daarbij is een goede balans nodig tussen toezicht op vergunninghoudende trustkantoren en handhaving bij illegale dienstverlening. Ook wordt aanbevolen te onderzoeken hoe detectie structureel en robuust kan worden gefinancierd. 

Datagedreven analyses kunnen bijdragen aan een meer risicogestuurde aanpak, bijvoorbeeld door relevante databronnen te combineren om mogelijke illegale trustdienstverleners beter in beeld te brengen. Daarnaast blijft goede samenwerking en informatie-uitwisseling tussen betrokken partijen, zoals DNB, politie, OM, Belastingdienst, FIOD, KvK en gemeenten, van belang. 

Tot slot wijst het onderzoek op het belang van een gelijk speelveld in Europa. Na inwerkingtreding van de Europese Anti-Money Laundering Regulation (AMLR) kan een internationale vergelijking inzicht geven in de wijze waarop andere Europese landen omgaan met trustdiensten. Ook wordt aanbevolen om na enkele jaren te evalueren of de Nederlandse lidstaatoptie nog noodzakelijk is.