Achtergrond
Om de structurele krapte op de arbeidsmarkt in de zorg te verlichten, heeft het ministerie van VWS door de jaren heen een breed scala aan beleidsinstrumenten ingevoerd. Deze variëren van subsidies voor praktijkleren, zoals SectorplanPlus en het Stagefonds Zorg, tot structurele bekostiging van vervolgopleidingen, zoals de beschikbaarheidbijdrage voor ziekenhuisopleidingen. Ook zijn er niet-financiële maatregelen getroffen ter ondersteuning van zorgprofessionals of gericht op informatievoorziening aan de sector. 

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft SEO Economisch Onderzoek gevraagd een syntheseonderzoek uit te voeren naar het arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid in de zorg. Dit syntheseonderzoek heeft de vorm van een Periodieke Rapportage (PR) en maakt deel uit van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van het ministerie van VWS. In deze PR worden 21 arbeidsmarkt- en opleidingsregelingen in de zorg beoordeeld op hun doeltreffendheid en doelmatigheid. Het te evalueren tijdvak betreft de periode 2016-2024 (tot en met kabinet-Rutte IV). De afbakening van de evaluatie wordt gevormd door de regelingen die vallen onder Artikel 4.2 van de begroting van het ministerie van VWS, plus de beschikbaarheidbijdrage voor medische vervolgopleidingen en overige ziekenhuisopleidingen. De budgettaire omvang van deze regelingen bedroeg in 2024 €2,4 mld.   

Resultaten
Voor wat betreft de opleidingsregelingen concluderen we dat de meeste regelingen potentieel dan wel waarschijnlijk doeltreffend zijn. Toch kunnen we geen heel vergaande conclusies trekken over de doeltreffendheid van deze regelingen, omdat in vrijwel alle gevallen een ‘harde’ effectevaluatie ontbreekt. Voor het Stagefonds is een dergelijk onderzoek wel beschikbaar. Op basis hiervan concluderen we dat het Stagefonds zeer waarschijnlijk niet doeltreffend is: deze regeling heeft vermoedelijk niet geleid tot het bieden van meer stages dan het geval was geweest zonder de subsidie. De beschikbaarheidbijdrage beoordelen we als potentieel dan wel waarschijnlijk matig doelmatig. De prikkels vanuit de inkoop voor efficiëntie en innovatie zijn klein en bestaat een risico op ongewenste neveneffecten door beperkte differentiatie in de subsidiehoogte. 

Over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de arbeidsmarktregelingen kunnen we geen oordeel vellen: er zijn geen systematische effectevaluaties beschikbaar die hier duidelijkheid over verschaffen. In sommige gevallen komt dit doordat aan de voorkant geen heldere beleidstheorie is ontwikkeld en concrete, meetbare doelen ontbreken. De analyse van de afzonderlijke regelingen laat ook zien dat het niet mogelijk is om de effectiviteit en doelmatigheid van het instrumentarium in zijn geheel te beoordelen. Dit komt enerzijds doordat de meeste regelingen niet systematisch zijn geëvalueerd, anderzijds doordat er nauwelijks zicht is op de samenhang tussen de verschillende maatregelen. 

Beleidsaanbevelingen
Op basis van de evaluatie en daaruit volgende resultaten formuleren we een aantal beleidsaanbevelingen: 

  1. Overweeg alternatieve instrumenten naast subsidies om de verantwoordelijkheid van het opleiden en goed werkgeverschap (deels) bij het veld zelf neer te leggen, zoals werkgeversfondsen. Zet subsidies bij voorkeur in om de juiste randvoorwaarden te scheppen, zoals voldoende begeleidingscapaciteit op de werkvloer. 
  2. Bestendig de faciliterende rol die die het ministerie de laatste jaren ten aanzien van de arbeidsmarkt heeft aangenomen. Hierbij valt te denken het versterken van regionale samenwerking, het stimuleren van overlegstructuren en het realiseren van betere informatievoorziening. 
  3. Ondersteun voorlopers binnen de sector bij de toepassing van technologie en nieuwe werkvormen om zo een cultuuromslag richting meer innovatie binnen de sector te realiseren. 
  4. Formuleer bij toekomstig te ontwikkelen beleid concrete, meetbare doelstellingen, die voortkomen uit een expliciete beleidstheorie. Vervolgens dient aan de voorkant helder te worden gemaakt hoe het nieuwe beleid wordt geëvalueerd. 
  5. Streef ernaar om een ingezet opleidings- of arbeidsmarktinstrument te evalueren middels een (quasi-experimenteel) effectonderzoek in plaats van alleen op basis van kwalitatieve percepties van partijen die baat hebben bij de betreffende regeling.